De wereld om ons heen

Vijfdaagse april 1993 (1 van 7)
Inleiding vrijdagavond
[download]

Zoals we zijn, hebben we ieder een motief in dit leven. Voor sommigen is dat heel helder. Voor anderen is dat nog een beetje vaag. Maar het leven dwingt ons om te doen, om een weg te gaan. En om op die weg op te merken wat zich aan ons voordoet. En hoe dat allerlei in ons wekt. Hoe we daaruit soms idealen hebben, soms een heel duidelijk stuk werk voor ons zien, elkaar ontmoeten, soms besluiten om het samen een poos te doen – en soms kan dat heel lang zijn dat we dat samen doen. En we vinden geleidelijk aan een verhouding tot de wereld om ons heen, een wereld die groter of kleiner is, afhankelijk van onze belangstelling, en van de mate waarin we tot onszelf zijn doorgedrongen, waarin we een gevoel hebben van verbonden zijn of afgescheiden te zijn.

Zoals het leven gaat, anno 1993, kunnen we opmerken dat alles in versnelling is. Verhoudingen tussen groeperingen, verhoudingen tussen landen, tussen volken, tussen ideologieën en nationaliteiten, alles is in een onrustige beweging. En die onrustige beweging bereikt ons, ook als we een heel geborgen leven hebben. Als het al niet is via de beeldbuis of via de massamedia, dan bereikt het ons tóch wel. En dat veroorzaakt in ons allerlei kleine en grote spanningen, vragen die niet beantwoord worden, wensen die niet vervuld kunnen worden – en als ze al vervuld worden weer anders zijn dan we ze gedacht hebben.

Kortom, het bewustzijn van ieder van ons wordt uitgedaagd om te gaan beseffen wat er aan de hand is. En dan niet alleen naar de uiterlijke symptomen, waar we het allemaal wel over eens zijn, maar wat het betekent voor ons om daarin te leven, te werken, lief te hebben, verenigd te zijn of alleen te zijn.

Maar dat alles wat ik opgesomd heb, gaat bijna helemaal ten onder aan het onmiddellijk voorliggende. En dat onmiddellijk voorliggende wordt steeds meer. Wij moeten eigenlijk voortdurend omschakelen van het een naar het andere, van het andere naar het een. En de tijd van omschakelen wordt versneld. Ook als we ons terugtrekken op het platteland, ver van het nerveus kloppende leven van de stad, dan nog merken we dat er voortdurend verandering is. En het ziet er niet naar uit dat daar een vertraging in komt, integendeel, het zal steeds meer versneld raken.

Dat betekent dat wij aan de ene kant een sneller bewustzijn zullen moeten hebben. Sneller in de zin van gevoeliger, niet vastzittend aan eens gevormde ideeën, eens gevormde meningen, gezichtspunten. Maar het betekent aan de andere kant dat we ook zullen moeten zoeken – en het woord ‘zoeken’ is niet goed – maar dat we ons bewuster moeten worden van iets in onszelf dat geen deel heeft aan die versnelling, dat zichzelf is en als zodanig een geborgenheid vormt die niet afhankelijk is van dat multivariabele leven waar we instaan. Want een bewustzijn – dat weten we zelfs uit de wetenschap – kan alleen maar exact, scherp, plooibaar zijn, als het in balans is. En nog meer, als het vertrouwen heeft, als het op het moment dat het zich ergens in verdiept niet tegelijk weggeroepen wordt naar iets anders, wat er óók is.

Dat weten we dus uit de wetenschap, dat het denken-voelen alleen maar goed kan functioneren wanneer het niet altijd weer, terwijl het met het ene bezig is, opgebroken wordt door het andere, gestoord door het andere. En als we in ons leven nagaan hoe ons bewustzijn werkt, dan weten we dat die stille, aandachtige toestand van het bewustzijn, waarin we makkelijk, plooibaar, gevoelig, rekening houdend met alle factoren die meespelen, voor ons maar héél zelden voorkomt. En meestal ongezocht en onverwacht, zomaar uit de blauwe hemel.

En toch wordt er van oudsher gezegd – ik denk dat dat ook waar is – dat wij daar iets aan kunnen doen. Wij kunnen niet de situatie scheppen op ons uppie waarin dat bewustzijn natuurlijk, rustig en geconcentreerd kan worden. Maar we kunnen wel gaan opmerken wat het verstoort. En dat op zichzelf blijkt voor ons allemaal al een hele klus, om op te merken wat de natuurlijke werking van het bewustzijn verstoort. Want wat meestal gebeurd is dat wij daar regels uit destilleren. Als we al iets opmerken, zijn we geneigd daar regels uit te destilleren. En dat zet ons opnieuw vast. Wat wij dan doen is maatstrepen trekken in de stroom van de rivier en denken dat die stroom zich daar iets van aantrekt. Dat is natuurlijk niet zo. Dat zijn maatstrepen die wij bedenken. Maar wat gebeuren moet is dat wij in de stroom opmerken waar we langskomen en wat die stroom is, zodat we in voortdurend contact staan met die veranderende werkelijkheid. En dat ons dat niet hindert. Integendeel, dat we het gevoel hebben dat dat eigenlijk pas leven is.

Maar dat betekent natuurlijk wel dat je je op geen enkele manier een bepaald doel kunt stellen. Of je zou een doel moeten hebben van te leven, alleen maar te leven, wat dat leven ook brengt. Zoals wij zijn zijn we er áltijd weer op uit om het lijden te vermijden, datgene wat zich aan ons voordoet als lijden, en om het prettige, dat wat zich aan ons voordoet als prettig, te koesteren. En zodoende zijn we ons hele leven bezig en is er onophoudelijke strijd.

Er is niet veel fantasie voor nodig om te beseffen dat die onophoudelijke strijd in de enkeling, miljard maal vergroot, vermenigvuldigd, in de wereld speelt. En dat we om tot inzicht te komen in dat onbegrijpelijke grote gebeuren wat er plaatsheeft, eerst inzicht moeten krijgen in het strijdtoneel in onszelf. Een strijdtoneel wat telkens een korte pauze en een vrede kent, waarmee we, naïef als we zijn, ons gelukkig wanen, niet beseffend dat die pauze niet door ons is veroorzaakt, maar dat hij ons geschonken is.
Dat alleen al zou ons allemaal tot bescheidenheid kunnen brengen en tot het besef dat als die pauzes ons geschonken zijn, dat waarschijnlijk de bedoeling heeft dat we er gebruik van maken om dieper door te dringen in de werkingen van ons bewustzijn – dat ons onophoudelijk, als in een film, van alles voortovert dat maar heel ten dele berust op iets werkelijks.

Wat we proberen te doen, elke keer dat we bij elkaar komen in een weekgroep, in een maandgroep, in een korte of een lange sessie, is dit oneindig geschakeerde gegeven van ons leven dichterbij brengen. Maar wij kunnen het alleen maar dichterbij brengen als we beseffen dat we vrij moeten zijn om het te onderzoeken. We kunnen het niet onderzoeken, het kan zich niet aan ons openbaren, als we allerlei vooronderstellingen daarvoor plaatsen.

Dat geeft ook aan dat wij dus, als we hier bij elkaar zijn, heel voorzichtig moeten zijn met onszelf en met de anderen. Dat we niet die hele baaierd van interessen, sensaties, gevoelens en gedachten, die we normaal met ons omdragen en verspreiden – ook al zouden we niets zeggen, dan nog verspreiden we ze –  ongelimiteerd door laten gaan, en tegelijkertijd onszelf in een klem zetten van allerlei oefeningen. Want oefeningen die niet een grotere beweeglijkheid, een grotere gevoeligheid en een grotere concentratie te weeg brengen, perken ons in.

Het is niet voor niks dat wij uit onmacht allerlei mensen die begaafd zijn op het gebied van energie, adem, denken, ons laten vertellen wat we doen moeten, zodat we passief verder komen. Tenminste, dat denken we. Uiteindelijk zullen we zelf moeten gaan. Alle hulp die we kunnen krijgen heeft alleen zin als we het zelf opnemen, als we zelf dat wat ons aangeboden wordt in ons leven tot leven laten komen, zodat we niet meer passief zijn, maar werkelijk zelf dat wat tot ons gekomen is in het grote spel van het leven, laten meedoen.
Dat betekent dat we met alle zaken, of het nou onze gezondheid is, het voedsel, ons werk, onze relatie tot de ander en de anderen en tot alles wat ons omringt, zien als te behoren tot onszelf. Beseffen dat we het zelf moeten doen, dat we zelf moeten ontdekken, en dat we dat van niemand kunnen krijgen. En dat het enige wat mogelijk is, is dat wij zozeer betrokken raken op elkaar, dat we door onze nabijheid de ander kunnen steunen in het gaan van zijn of haar weg. Maar dat vraagt groot doorzicht, dat vraagt grote bescheidenheid, dat vraagt een voortdurend contact met de toestand die er is. Dat laat zich dus niet vertalen in slogans, in methoden, in theorieën, in systemen.

Dat betekent een voorzichtig, maar geconcentreerd in het leven staan, waardoor we al datgene wat we geleerd hebben, wat ons gezegd is, wat ons voorgehouden is, en wat ons nog steeds voorgehouden wordt, in zijn betrekkelijkheid leren zien. Daarmee niets afdoende aan wat het voor waarde heeft, maar het niet afscheiden van al het andere wat er is. Zodat we niet als dwazen het gevoel hebben dat we voortdurend moeten kiezen, maar dat alles wat gebeurt in onszelf en buiten ons samenhangt en zin heeft. En dat wij daarmee meer van het totaal wat het leven is geopenbaard kunnen krijgen, zonder jacht, zonder grijpen, zonder conclusies, maar heel vanzelf. Zoals water naar het laagste punt vloeit en uiteindelijk vervluchtigt, om als regen opnieuw neer te dalen en de aarde vruchtbaar te maken. Zoals de zon schijnt, verwarmt en energie geeft, zonder dat wij er iets aan gedaan hebben, zo kan het leven in ons rijpen.

Maar dat betekent inderdaad dat wij alle dingen die wij tegenkomen, zien in zijn voorlopigheid, en op geen enkel moment er een tijdloze waarde aan hechten die het eenvoudig niet kan hebben. Want die tijdloze waarde, datgene wat niet geboren wordt en wat niet sterft, is natuurlijk altijd óók in de betrekkelijkheid – maar het behoeft een geoefend oog en oor en een geduldig waarnemen om die gelijktijdigheid te beseffen, en niet het vergankelijke als vergankelijk onder te waarderen, of het tijdloze als tijdloos te aanbidden.
Het gaat steeds om dat én-én. Dat én-én – niet het en/of, maar én-én – wat maakt dat je je niet hoeft te haasten, als je maar dat wat nu voorligt volledig beseft.
En zoals ik aan het begin zei, die wereld in versnelling trekt ons aan de ene kant binnen in die versnelde, onverbonden tijd, maar aan de andere kant roept ze ons op om de gelijktijdigheid van het ongeborene en het geborene voortdurend te beseffen.

Eén van de hulpmiddelen daarvoor is dat we ernst maken met het beleven van ons lichaam. Niet om er iets mee te doen, maar om het ademen echt te beseffen – het zitten, het lopen, het staan, het liggen, het rusten en het werken, slapen en het wakker zijn, echt fundamenteel te beseffen. Zodat we geen schijnleven hebben van activiteiten die strijdig zijn met dat kosmische gegeven van ons lichaam, wat ons, als we goed opletten, vanzelf aangeeft wat, wanneer en hoe iets gebeuren moet.

Maar dat betekent inderdaad dat we ophouden te menen dat we het al weten. Dat we alleen maar, voortdurend ingaande op wat plaatsheeft, contact kunnen blijven houden met wat voortgaat zich te voltrekken. Ontdekken of het mogelijk is in deze wereld die, zo vol is, nog normaal, natuurlijk te leven. Zodat het nog betekenis voor je heeft, en we niet alleen maar meegenomen worden door alles wat er gebeurt.
Maar blijkbaar is nu plotseling al hetgeen waar we mee bezig zijn vervluchtigd. En als we dan straks naar huis gaan is het weer terug. Nu, hier, rustig, elkaar vertrouwend bij elkaar, kunnen we dus misschien iets dieper doordringen. Anders is het een soort van kerkdienst. En dan gaan we gesticht naar huis en begint het gewone leven. Dat zou toch jammer zijn.

naar boven

Gesprek (fragment)

– A.: Ik geniet ervan om bij m’n lichaam te komen, dan voel ik me zacht en ontvankelijk en dan kan ik de ander ervaren zoals hij is. Maar dat is dan nog niet gebeurd, of ik zit weer in de gevangenis en dan ervaar ik de ander ook zo. Dat vind ik toch heel moeilijk om dat iedere keer weer te zien gebeuren.

– Maarten: Je kunt je afvragen hoe het komt, dat dat moment dat je geschonken wordt niet echt iets in je verandert. Waarom dat moment – dat hoeft niet alleen hier te zijn, dat kan op allerlei manieren – je niet verandert, dat is inderdaad waar het eigenlijk om draait, dat is een vraag voor ons allemaal.

– B.: Ik heb het idee dat je die momenten als zo bedreigend ervaart, dat je wilt vasthouden aan het bekende. Dan herinner ik me weer je verhaal over de stroom[1], dat je toch steeds weer probeert je vast te houden en steeds vergeet  dat die stroom veel te sterk is. Je kunt het gevoel hebben dat je weggevaagd wordt door de openheid, waardoor je weer teruggrijpt op het oude.

– Maarten: Wat weggevaagd wordt, zijn al je voorstellingen, al je ervaringen. En dat kan eeuwig doorgaan – ik denk ook dat dat het geval is.

– B.: Mijn vraag is dan toch van waarom dat allemaal beleefd moet worden.

– Maarten: Maar dan ga je op de plaats van Onze-Lieve-Heer zitten…

– B.: Maar waarom is het zo ontzettend moeilijk allemaal…

– Maarten: Weet je, door die vraag te stellen geef je jezelf al de gelegenheid om er niet op in te gaan. Dat klinkt een beetje gek, maar zo is het toch wel.
Een van de mooiste voorbeelden daarvan zijn de boeken die Paul Brunton[2] geschreven heeft over zijn ontmoetingen met Ramana Maharshi, de grote Hindu heilige die niet sprak, maar op een leitje schreef. De eerste keer dat hij uit Amerika daar naartoe kwam had hij echt een koffer vol vragen. En hij ging naar Ramana Maharshi toe – dat was in die tijd nog een moeilijke reis – en er eindelijk was en bij de heilige zat, kon hij werkelijk niet bedenken wat hij allemaal te vragen had. Echt helemaal niet. Hij is daar enige maanden geweest en elke dag ging hij daar zitten. Toen ging hij terug naar Amerika, en het moment dat hij voet aan land zette, waren ze allemaal weer terug.
Dat is geen grap, zo is het gebeurd. En wij zitten in precies dezelfde positie.

– B.: Dat betekent dus dat er in de onvergankelijke staat geen vragen zijn, en in de andere staat, in het veranderende, zijn er wel vragen.

– Maarten: Maar wat is nu eigenlijk de kwintessens hiervan? Dat is een gebrek aan intensiteit. Dat betekent eigenlijk dat wij – en dat spreken we natuurlijk nooit uit – toch dachten dat het ons wel zou bereiken. Maar alle vezels van intensiteit zijn afwezig. En als het dan komt, zijn we eigenlijk passief. Misschien is dat ook wel gekomen door al het gepraat over genade en zo. Maar het is natuurlijk iets wat ons allemaal aangaat, het gaat mij aan, het gaat jou aan.


– D.: Maarten, wat is het tegengestelde van passief? Soms heb je zo’n ervaring van genade, of wat dan ook, en ik merk dat op en geniet er soms van. En dan gaat zo’n ervaring weer voorbij.

– Maarten: Je zegt iets heel onthullends: ‘dan geniet ik ervan’. Dat is natuurlijk ook iets wat je als het ware binnenstebuiten keert. Maar het kan niet van één kant komen.

– D.: Als jij zegt: passief is niet goed, dan zou je zeggen: het tegengestelde is actief. Of is het intensiteit?

– Maarten: ‘Intens’ is natuurlijk actief. Het betekent dat je hele ziel er als het ware naar uitgaat. Maar niet om het vast te houden.

– B.: Maar dan is het onvoorwaardelijke toewijding. Maar dan zonder oordelen, want dat onvoorwaardelijke betekent niet dat het gelijk allemaal goed gaat.

– Maarten: Natuurlijk, aan die intensiteit kun je geen voorwaarden stellen. Dat is onmogelijk. En dat houdt ook in dat je tegelijkertijd beseft dat het je ontvallen kan. Natuurlijk, zo is het. Maar dan is er geen verlangen naar een herhaling bij, dan is het een actueel gebeuren.

– A.: Dus jij zegt: als je dan in zo’n moment van gratie helemaal aanwezig kunt zijn, dan zou je daarin kunnen blijven.

– Maarten: Nee, nee! Juist niet. Maar het interesseert je ook geen lor! Daar gebeurt iets, en je denkt niet aan strakjes, je denkt ook niet aan morgen. Je bent er zó in dat als het je ‘ontnomen’ wordt – zoals wij dan zeggen, eigenlijk is het dat die intensiteit verflauwt – dan is dat de volgende toestand. Want je hebt niet jezelf op het oog, maar je hebt op het oog wat daar gebeurt.
Wat ons altijd overkomt is dat we toch onszelf op het oog hebben. D. zei het zo mooi, ze zei: ‘dan geniet ik ervan’. Niet dat je er niet van mag genieten, maar daar is niet dat idee van: als het nou maar blijft…

– A.: Dat bedoel ik ook niet.

– Maarten: Nee, maar je zegt ‘blijf je daar dan in’. Dat weet je niet, maar het interesseert je ook niet.

– A.: Ik had het toen we stil zaten, toen voelde ik me weer in de vernauwing gaan. En toen sloeg jij op de bel en toen dacht ik: nou, daar ben ik dan blij om, dat het er even was.

– Maarten: Maar op het moment dat de teleurstelling toeslaat, ben je eruit. Dus het is steeds hetzelfde, dat het ‘ik’ wil op een of andere manier bezitten.

– A.: Ja, dat klopt.

– Maarten: En dat is eigenlijk niet het probleem, maar waar het om gaat is dat je dat in zijn totale omvang doorkrijgt.

– A.: Er komt ook in me op wat ik er allemaal niet in had kunnen doen.

– Maarten: Ja, precies, dan is de hele mallemolen aanwezig.
Dat is het opmerkelijke in het boek wat Krishnamurti geschreven heeft in die zes maanden dat hij voortdurend die onbeschrijflijke ‘aanwezigheid’ ervoer. En na die zes maanden was het fini. Maar toen is hij niet gaan jengelen, toen heeft hij alleen gezegd: alla, het is fini.
Alles is in voortdurende staat van verandering. En kunnen wij die intensiteit in onszelf zijn gang laten gaan – je kunt hem niet ‘wekken’, je kunt het zijn gang laten gaan. Dat je in voeling blijft.
Nou mensen, laten we nog maar even stil zijn.


[1] Maarten Houtman, Het verhaal van het stofje in de stroom, vijfdaagse april 1990, woensdag
[2] Paul Brunton, A Search In Secret India (1934).

 

 


naar boven

< terug naar Vijfdaagse april 1993