Doorlaatbaar zijn

Eefde april 1988 | Woensdagmorgen

Inleiding
[download]

Ik zal vier regeltjes voorlezen van een andere observatie:

Midden in de dans van de fragmenten overviel je een stilte.
Houding, adem en energie zijn een stil beweging met het ondeelbare tussen je handen.
Blijf doorgaan, het is er altijd.
Niet je toekomst, ook je lot niet, maar je aandacht beslist.[1]

Het is een beetje mooi gezegd, maar het is heel concreet: de kwaliteit van je energie – dat is je aandacht – beslist. Daarom begin ik me inderdaad af te vragen of onze vijfdaagsen, zoals wij ze doen, helemaal goed zijn. Of wij niet toch teveel in de gewone dagelijkse energie blijven hangen, ook al zijn we vijf dagen hier.

Er waren twee opmerkingen, die kwamen vanochtend  van verschillende mensen. De ene die zei: ja, zitten is statisch. En de andere vroeg zich af of die adem en energie-circulatie het allerlaatste was.
Zitten is heel dynamisch, als je de juiste energie ter beschikking hebt. En je adem is een heel fijn vertakt bewegen, dat je op den duur overal in je lichaam kunt brengen waar dat nodig is.
Maar voor beide ervaringen is een luisteren nodig, dat ik jullie niet kan leren.
Dat is waar het eigenlijk aldoor om draait: kun je – dat is een heel vaag begrip – de stilte bewaren, in je gesprekken, in je vriendschappen. En bezit je liefde stilte. Of is je liefde ook vergankelijk. Als die niet stilte bevat, is hij vergankelijk, gaat hij voorbij – zoals jij voorbijgaat en alle dingen in de schepping voorbijgaan.

Wij mensen kunnen bij ons leven die energie en die stilte ervaren. Maar dan moeten we daar geleidelijk aan een orgaan voor ontwikkelen, een orgaan  wanneer wij terugvallen in de dagelijkse energie – die af en toe prettig is en af en toe niet prettig is, die overwinningen en nederlagen kent. Daar moeten wij gevoel voor ontwikkelen.
Aan dat gevoel ontwikkelen kun je iets doen, door telkens in je leven de situatie te scheppen – dan is een vijfdaagse dus niet zo erg ideaal, maar goed – waar je daar een beetje meer toegang toe krijgt.
Maar het gaat eigenlijk om een doorlopende gevoel voor de stilte en het wezenlijke in alles. Zodat je niet meer afhankelijk bent van een bepaalde toegang.

We weten uit de overlevering dat er vele toegangen zijn: de toegang van de liefde, de toegang van de oefening, de toegang van de aandacht – maar dan in een versmalde betekenis, voor een bepaald iets, voor een filosofie, voor een religieuze beleving. Maar dat is nog versmald.
Die toegang is iedere seconde aanwezig, als je daar … ja, gevoelig, als je daar doorlaatbaar voor wordt. En als je ook opmerkt waar het niet doorlaatbaar is.
Het is meestal in de buurt van mensen niet doorlaatbaar. In de natuur is het, zelfs midden in de stad, een plantje wat door het asfalt heen groeit heeft het. Maar bij de mens is het heel vaak afgesloten. En dat hoeft niet te zijn omdat het een lijdend mens is, het kan zo gezien ook een heel gelukkig mens zijn, die lacht, die zich op zijn gemak, prettig voelt.
Dat hangt samen met de identificatie, identificatie met het voorbijgaande. En dat loskomen van de identificatie, voltrekt zich in dat je bewust zijn van de stilte, van het wezenlijke, van het Ene – je kunt er allerlei woorden voor vinden – maar dat wat dus niet van de tijd is.

Meestal stellen we ons tevreden met de uitdrukking ervan, in de natuur bijvoorbeeld. En we verwisselen de uitdrukking voor het eigenlijke.
Dat onderscheid moet je in je leven leren kennen, anders heeft dat leven heel weinig zin – het heeft natuurlijk zin, in de geschiedenis van de schepping heeft het altijd zin, alles wat je doet heeft zin. Maar niet in die betekenis.
De betekenis van de schepping is: dat je geboren wordt en dat je opgevoed wordt en dat je kennis krijgt en dat je soms met iemand gaat samenleven en kinderen krijgt. Dat hoort tot het lied van de schepping, en dat is heel mooi. Maar het gaat niet verder dan het lied van de schepping.
Maar waar je, ja, helderziend en helderhorend voor moet worden, is voor dat wat vóór de schepping is, en ook na de schepping is. Dat wat zich onophoudelijk uitdrukt, maar nooit uitgedrukt wordt. Wat altijd aanwezig is en nooit te pakken is.

Daar moet je oog en oor voor krijgen. En dat vraagt een bepaalde instelling, en daaruit volgt een bepaald leven. Een bepaald leven wat niet ingedeeld is door de wil. Een bepaald leven wat niet afhankelijk is van de omstandigheden. Je kunt heel ziek zijn, je kunt opgesloten zijn, maar datgene wat niet van de tijd is, is ook bij je als je ziek bent en als je opgesloten bent, als je vervolgd wordt.
Dat is de negatieve kant.
De positieve kant is dat het er altijd is, voor jou ook, in alle omstandigheden, terwijl je van huis weggaat en als je naar huis teruggaat.

Om dat te beseffen, is het niet genoeg om alleen in jezelf te gaan. Je zult ook heel nauwkeurig, heel aandachtig, moeten volgen wat er in de wereld gebeurt. Want je bent, zoals je nu bent, niet in staat om binnendoor de wereld te ervaren. Soms overkomt je dat wel, dat je binnendoor de wereld ervaart. Maar zoals wij zijn, hebben we vooreerst nog de signalen nodig van de oppervlakte, die ons de toestand en de verschuivingen in de wereld tonen en laten zien.

Ik zeg dat heel uitdrukkelijk. Want als je dat niet doet, ga je een binnencultuur volgen die dood is. Zo zijn wij.
Er zijn enkele hele grote mensen geweest – en er zullen er ongetwijfeld nog wel weer komen – die uitsluitend binnendoor werken. Maar zoals wij zijn, heb je het nodig om het contact met de wereld te behouden. Maar dat is een ander contact dan je normaal hebt, dat is een heel duidelijk bedoeld contact door jou. Dus dat is geen verstrooiing, dat is ook geen toename van kennis. Dit is een in voeling blijven met wat daar allemaal gebeurt. En daardoor steeds dieper beseffen dat jij moet veranderen, dat jij inderdaad binnendoor moet.

Dat geeft je heel vanzelf de stuwkracht om door die vergankelijke stemmingen, die we allemaal hebben, heen te gaan. Want we leven bij stemmingen: dan zijn we enthousiast, dan zijn verdrietig, dan zijn we blij, dan zijn we gelukkig, dan zijn we verliefd, dan zijn we verlaten… En zo drijft ons leven door.
Zolang je je door die stemmingen laat regeren, zonder dat je dat weet, kan er niets gebeuren.

Ik heb nou lang genoeg tegen jullie aangepraat, om je duidelijk gemaakt te hebben dat je het ook niet kunt door te willen. Dat kan natuurlijk ook, je kunt dag aan dag een of andere oefenweg volgen. En dan kom je ergens wat er erg veel op lijkt, maar wat het niet is. Dan ben je geconcentreerd en je wordt niet meer afgeleid. Maar je hebt de voeling met het tijdloze verloren.
Dat is heel tragisch, maar het is zo. Je zult midden in de stemmingen waarin je leeft, die voeling moeten krijgen.

Een grote hulp daarbij is, dat je beseft in welke toestand de wereld is. Dat is die altijd geweest, maar het is wel zo dat het steeds duidelijker wordt, die toestand waarin hij is: overgegeven aan het vergankelijke, gevangen in het vergankelijke – en misschien op den duur vernietigd in het vergankelijke. Dat weten we niet. Maar dat is ook jouw uitdaging niet, jouw uitdaging is om, juist omdat je van dag tot dag ervaart wat er in de wereld plaatsheeft, heel makkelijk uit je eigen stemmingen weg te komen. En dat je beseft: het gaat om dat ervaren van dat wat niet voorbijgaat.

Iemand heeft me wel eens gevraagd: ja, wat is dat eigenlijk, die verantwoordelijkheid?
Die verantwoordelijkheid voel je vanzelf. Als je echt contact hebt met wat er gebeurt, dan zie je in het groot wat in jezelf ook plaatsheeft. Dat je eigenlijk als een kleuter, met elke keer een nieuw speeltje, verdergaat.
Je hebt een volwassen lichaam, en meestal heb je ook een volwassen denkvermogen, maar je bent een kleuter. Je bent een kleuter die heel snel tevreden is met het nieuwe speeltje. Totdat hij er lang genoeg mee gespeeld heeft en uitkijkt naar een nieuw.
Je kunt best een hoogleraar zijn of een stratenmaker, dat maakt niet uit, het principe is hetzelfde.

En jullie weten ook, je kunt het niet afdwingen. Het moet dus op die intelligente manier gebeuren, dat je de verantwoordelijkheid voelt – steeds, altijd voelt – waarin je eigen problemen echt verbleken.
Dat je zo aan je problemen vastzit, komt omdat je het contact met wat er allemaal gebeurt verloren hebt. Dat is een soort van zelfbescherming van het ‘ik’, anders kan het niet goed leven, kan het niet goed groeien, dat ‘ik’.

Je hoeft niet met dat ‘ik’ te vechten, dat verdwijnt vanzelf.
Als je goed beseft wat je doet en hoe je doet, goed beseft hoe in elke handeling een versterking van het ‘ik’ kan zitten of een oplossing, dan ben je ook genezen van de idee dat je ooit een vast besluit kunt nemen. Dat is oude koek.
Het gaat om dat voortdurende besef – dan hoef je ook geen besluit te nemen – het voortdurende besef waar het om gaat.
En in dat voortdurende besef wordt duidelijk wanneer je daar gewoon uitvalt, terugvalt in het kleuterstadium, in het speelgoed.


[1] Dit is het motto voorin ‘TAO-ZEN, de weg van niet-dwang’ (Ankh-Hermes, 1988), het tweede boek van Maarten Houtman over meditatie, dat in datzelfde jaar verscheen. Het is hier beschikbaar als e-boek – zie onder /teksten/eboeken/

naar boven

<< Terug | Einde