Jij bent het instrument

Inleiding
[download]

We hebben gisteren geprobeerd – en ik dacht dat we daarin wel geslaagd waren – zorgvuldig vast te stellen dat het denken ons in de opgaaf om heel te worden onvoldoende kan helpen. Dat het hoogste wat het denken ons kan schenken is dat wij ontdekken – en dat is iets geweldigs – dat wij er met ons denken dus niet bij kunnen.
Daar hebben we gisteren zesendertig minuten over gedaan. Dat is niet zo lang, want het is een geweldige ontdekking, als je ziet dat het denken in zijn meest uitgebreide vorm, niet in staat is om bij dat proces waar het om gaat, namelijk heel te worden, echt behulpzaam te zijn. 

Nou is natuurlijk de vraag, ja, maar wat dan. En dan  komt een heel simpel gegeven naar voren wat in de praktijk blijkt heel moeilijk te zijn. En dat is namelijk dat het enige wat in staat is om die ongelooflijke complexiteit van het leven waar wij in staan met z’n allen, niet alleen tot zich te nemen, maar ook te verwerken, dat dat alleen mogelijk is door een geest die stil is, die volledig stil is en leeg.
Dat klinkt heel simpel. Maar zodra je gaat opletten, merk je dat je nooit leeg bent en nooit stil bent, dat het altijd een onmetelijk geraas is in jezelf. En soms klinkt dat geraas erg vriendelijk en dan zijn we gelukkig, en soms klinkt het slecht en dan zijn we ongelukkig.
Maar het begin is, het begin van die eindeloze tragische opeenstapeling van onverwerkte eindjes, van onverwerkte ervaringen die dan weer verkeren in agressie, in wantrouwen, het begin daarvan ligt in een onoplettende geest. Een geest die gevangen is in zijn stramien, het stramien van de cultuur waar hij in verkeert, de mensen waar hij mee is, de opvoeding die hij genoten heeft en de erfenis van de evolutie. 

En dat is niet nieuw, dat heb ik al zo vaak gezegd, maar ik probeer het zo dichtbij jullie te brengen, dat jullie geleidelijk aan gaan geloven dat het de moeite waard is om er iets aan te doen. Want het klinkt gek, wij zijn best bereid om jarenlang te oefenen. Als we dan maar een zekerheid hebben. En die zekerheid geef ik jullie niet, want die is er niet, alle zekerheid die je gegeven wordt is valse zekerheid. Wat ik tracht te doen, is jullie duidelijk te maken hoe het proces in elkaar zit. En daar moeten jullie mee werken. En ieder van jullie zal daar zijn manier voor vinden. 

Maar waar het om gaat is dat je eerst opmerkt dat je een onoplettende geest hebt. Daar begint het mee. Ik hoor altijd weer dezelfde verhalen. Dat komt natuurlijk omdat ik op een plek zit waar een heleboel verhalen samenkomen. En dan ga je langzamerhand ontdekken dat het eigenlijk een vast patroon is. Je hoort het verhaal dat je iemand ontmoet, die blijkt zo ontzettend dicht bij je te zijn, ondanks het feit dat je hem net ontmoet hebt, dat je het gevoel hebt, ja, nu ben ik pas compleet, nu ben ik pas heel. En dat is natuurlijk fantastisch, dat is geweldig. En wat doet de geest, die tekent in het geheim, in het onzichtbare, een contract en zegt: wij zijn één. Maar zo is het niet.
En toch, de hele maatschappij is er op gebaseerd. Wat ik nu zeg dat is de maatschappij, dat is ons leven. En de geest slaapt verder, ondanks de grote vreugde van het ontdekken van een ander die zo dichtbij je is dat je je heel voelt worden, ben je toch in slaap gevallen.
En dan moet ik altijd denken aan dat prachtige verhaal in de bijbel van Jezus die weggaat en zijn discipelen vraagt om wakker te blijven. En als hij terugkomt blijkt dat ze allemaal slapen. Dat is onze situatie. En dat doen we dagelijks. 

Of ik hoor het andere verhaal – wat ik nu geef dat zijn zo van die patroonmodellen – dat iemand plotseling merkt dat hij iemand verloren heeft, die gaat weg. En dan begint er een hele lange lijdensweg, dan begint er die lange lijdensweg van het los moeten laten, en het niet  los kunnen laten eigenlijk, maar het toch los moeten laten, en zien dat je dat moet doen. Maar dat kan jaren duren, per geval verschillend. Maar de basis is dat een onoplettende geest niet gemerkt heeft dat die ander zich al aan het verwijderen was, misschien wel een jaar terug. Dat die geest nog steeds maar alleen zijn eigen bedoeling heeft gezien in die ander, wat hij daarmee voor had. En dat is meestal iets heel goeds wat je voorhebt met die ander. Maar die ander is een levend mens. Een levend mens die niet gedwongen kan worden, ook niet naar jouw bedoelingen. Een levend mens die niet eens zijn eigen bedoeling kent, die heel wisselvallig, als een blad in de wind, neerdwarrelt, weer opgenomen wordt, enzovoorts.
Dat is zoals het gaat. Maar wat de tragiek is, dat is dat wij dus niet constateren op het moment dat het gebeurt, wat er gebeurt. Dat we dan daarna jaren en jaren en jaren en jaren ergens mee omhoog zitten en elkaar verdriet doen en schade doen, eigenlijk omdat we onoplettend waren. Omdat we zo vol waren van alles wat ons bezielt, dat we niet hebben kunnen waarnemen. 

Als jullie dit toch eens konden zien, dat het hier om gaat, dat je oplettend bent. Dat dat echt het probleem is – ik kan beter zeggen: de uitdaging. Maar je moet het eerst zien. Je moet zien dat dat de uitdaging is, dat hij niet een fase later ligt. Want elke fase die later ligt kost honderd keer zoveel energie, honderd keer zoveel inventiviteit. En dat is eigenlijk op een vals gegeven.

Ik heb zo vaak het gevoel als ik zulke verhalen hoor, dat ik iets hoor wat lang, lang geleden gebeurd is en waar nu over verteld wordt. En wat moet ik daarmee aan…
We kennen allemaal de psychologische oplossingen, die zijn er x keren gedaan, en soms gaan ze goed en soms gaan ze niet goed. Maar het zijn lapmiddelen. Het is niet dat waar het om gáát. Het is om de schade zo min mogelijk erg te maken, dragelijk te maken. Maar het is schade, het is verminking, het is dwang.
Schade, verminking en dwang – dat zijn de drie woorden waar de wereld onder lijdt. En het ergste onder de dwang die we onszelf opleggen.
We hebben een beeld van onszelf dat we zus en zo zijn en daar willen we aan voldoen. En dat is natuurlijk ongelooflijke kolder, want je verandert elke seconde, hoe kun je nou aldoor maar willen voldoen aan dat beeld wat je misschien twintig jaar geleden van jezelf hebt ontworpen. 

Voelen jullie nou wat een waanzinnige wereld we bedrijven met elkaar. We willen één ding niet, opletten, dat willen we niet. We willen een model hebben, vastigheid. En elke leraar die je wat belooft, die je vastigheid belooft, daar loop je achteraan. Want dat is veilig, dan kun je maffen.
Maar voor jezelf weten waar het om gaat. En dan komt er natuurlijk dat grote gebied van, ja, als ik dat nou ingezien heb, dat ik oplettend moet zijn om te voorkomen dat ik mezelf vermink en anderen – want als je jezelf verminkt, dan vermink je sowieso anderen, dat is gewoon zo. Een mens die zichzelf verminkt verminkt ook anderen. Dat is een wet. Als je dat nu ingezien hebt, dan is het heel zinnig om jezelf af te vragen: hoe kan ik oplettend zijn. 

En dan komt die lange historie die we in de eerste sessies met elkaar bekeken. Dat dat dus niet kan door de wil, je kunt niet willen oplettend zijn. Dat kan niet. Je kunt wel opmerken dat je niet oplettend bent, dat kan. En dat is het enige wat mogelijk is. Maar dat betekent wel wat, dat betekent dat je de moeite moet nemen en dat je de tijd ervoor moet uittrekken, om gevoelig te worden. Om een héél klein beetje minder vol te zitten met bedoelingen, met verwachtingen, met strevingen, met bedenksels. Dat je echt keihard voor jezelf moet inzien: het enige wat nu van belang is, is dat ik oplettend word en dat ik daar op ga letten. Dat alle gelegenheden die mijn geboden worden om dat proces op gang te brengen, dat ik die aangrijp.
Voordat we gaan eten, probeer ik even stil te zijn. Nou, jullie hebben zelf gezien wat daarvan terechtkomt. Dat betekent eigenlijk dat het jullie geen ernst is, nietwaar. Want als het je ernst was, dan zei je: ah, een gelegenheid om eventjes bij mezelf te constateren wat is er nu aan de hand. En dan zul je opmerken dat het ook weer dingen is van wat er net gebeurd is en dat er de spanning is van wat er direct aan het eten zal zijn. En misschien had je al een verhaal in je voor je buurman die naast je zit of je buurvrouw, en dat gaat allemaal door je heen.
Dus je bent niet stil. Maar je hebt een mogelijkheid, je hebt een kansje. Een kansje om op te merken hoe je bent. Dus zelfs in die ideale omstandigheid waar we nu in zijn, doen we het niet, lekker niet. Want we zijn zo met meditatie bezig of met tai chi of weet ik wat.

En toch mensen, dit is de enige mogelijkheid, hoor. Jullie zullen het voor jezelf moeten uitvissen. Jullie zullen moeten uitvissen: wat kan ik in mijn leven doen dat ik momenten schep waarin ik even kan opmerken wat er omgaat. Even, maar toch… En dat hoeft niet te zijn voor het eten alleen, dat kan x-maal.
Dit, waar jullie moeilijkheid zit, waar jullie op het ogenblik eigenlijk voor een groot gedeelte het af laten weten, dat gebeurt in de kloosters net zo. En dat is dan de meest ideale gelegenheid die je je voor kunt stellen, de zenkloosters. Maar daar gebeurt het net zo. Daar leuteren ze weer over andere dingen door.
En dus is die geest niet oplettend, is die geest niet leeg. En alleen een oplettende en lege geest kan liefhebben, kan de ander, kan het andere, zo tot zich toelaten dat er niks meer tussen zit. En daardoor kun je begrijpen, en daardoor kun je van dienst zijn – dat is een vloek tegenwoordig haast, maar het is een heel hoog goed: van dienst te zijn, ter beschikking te zijn.
En dat kan alleen maar, want anders wordt het een deugd, en dat is het ergste wat je overkomen kan, dat je deugdzaam wordt, dan is het een wilsact, van ter beschikking staan, van van dienst zijn. Je kent die mensen wel, die van dienst zijn, afschuwelijk gewoon. Omdat het niet echt is. Omdat het niet voortkomt vanuit de diepte van de mens die leeg is en stil, en zo vanzelfsprekend een beroep dat op hem gedaan wordt beantwoordt, voor zover het in zijn vermogen ligt. En daar ook helemaal geen moeite mee heeft, want het is vanzelf, dat gaat vanzelf. Daar hoef je niks aan te doen. Je hoeft niet te willen, je hoeft het je niet voor te nemen, je hoeft het niet af te maken, want je maakt het af.
Zo eenvoudig is dat. Maar wij hebben daar alle eeuwen door hele vreselijke ingewikkelde dingen over gemaakt, van deugdzaam te zijn en ach, jongens, ik weet het niet, ik word er helemaal ziek van gewoon. Terwijl het zo simpel is, je hoeft alleen maar oplettend te zijn. Al het andere zorgt voor zichzelf. 

En een oplettende geest laat zich ook niet in de maling nemen. Zeker niet door zichzelf. Je kan heel goed zien dat hij bepaalde dingen niet kan. Dan laat hij het ook liggen. Dat is weer een ander aspect waar wij altijd huizenhoog mee zitten, dat we altijd allerlei dingen willen die we eigenlijk niet kunnen. Terwijl de dingen die we wel zouden kunnen, doen we niet.
Een stille geest is heel nuchter en heel praktisch, tegelijk heel liefdevol. Een combinatie die nog nooit bij elkaar gekozen is, maar het is gewoon zo. En dan wil ik het nog niet eens over het energieaspect hebben, want dat is een apart hoofdstuk. Maar ook dat zorgt voor zichzelf. Als je maar probeert om in jezelf de situatie te scheppen – en dat kun je wel, dat kunnen we allemaal – de situatie te scheppen dat die oplettendheid er kan zijn.

Het begint dus bij het begin, opmerken dat je niet oplettend bent, opmerken dat het een geraas in jezelf is. En dan daar niet van vluchten in een of andere afleiding, bijvoorbeeld naar mooie muziek gaan luisteren. Maar gewoon erbij blijven, het is geraas, niet weglopen. En ook niet tegen jezelf zeggen: oh, wat erg. En ook niet zeggen: ik wou dat het weg was. Dat zijn allemaal dingen die we doen. Het helpt allemaal niet. Erbij blijven. Dat is echte moed, dát is moed: erbij blijven en het zijn gang laten gaan.
En ik geef jullie de garantie, als je erbij blijft, verdwijnt het. Maar dan echt erbij blijven. En als je lichaam dan ziek wordt, want dat kan best gebeuren, dat je lichaam  daardoor ziek wordt, dan niet gaan jengelen, zeggen: aha, ook het lichaam verzet zich. Erbij blijven. Misschien moet dat lichaam dan een paar weken op bed liggen. Dat maakt niet uit. Maar blijf erbij. Dan kan dat proces wat in duizenden jaren gegroeid is zoals het gegroeid is, ontward worden. Dat doe jij niet, dat gebeurt door jou, als jij maar zorgt dat je erbij blijft, zodat er aldoor energie is voor dat proces. Want als jij je terugtrekt, als jij het akelig vindt, als jij het onrechtvaardig vindt, als je er verdriet van hebt, afijn, ik noem maar een paar dwarsstraten, dan is de energie weg. Dan kan dat proces niet doorgaan.

Het proces is, als ik het zo zeggen mag, is onmenselijk, is onpersoonlijk, maar het is het meest kostbare wat er op de wereld is. Want het is het enige, echt mensen, het is het enige, waardoor er misschien ooit vrede kan komen. Waarin helemaal niet meer nodig is om iets op te offeren, om iets op dat gebied te organiseren. Dat is helemaal niet meer nodig. Alles zorgt voor zichzelf. En of je lichaam daarbij te gronde gaat, dat is niet zo belangrijk. Maar het proces moet doorgaan.

En nu vraag je je natuurlijk af: ja maar, je zegt nog aldoor je moet oplettend zijn, maar hoe zit dat dan, hoe moet dat dan. Ik zie het nou in.
Dat is toch heel simpel, dan ga je eens voor jezelf na, wanneer ben ik oplettend, wanneer ben ik oplettend. Nou, dat hoef ik toch echt niet aan jullie te vragen, hè, jullie zijn allemaal heel intelligent. Als je iets doet wat fijn is. Dan ben je oplettend. Als je dan nog een beetje meer oplet, dan merk je dat de geest stil is als jij iets doet wat fijn is. Waar je met je hele complete persoon bij bent. Of het nou muziek maken is of vrijen of noem maar. Als je er helemaal bij bent, dan is de geest stil, dan ziet hij alles. Alleen, wij zijn natuurlijk door al die duizenden jaren zó geconditioneerd geraakt, dat we dan, terwijl we een stille geest hebben, toch niet alles waarnemen. Dan nemen we dat waar waarmee we bezig zijn en wat we zo fijn vinden. 

Maar mensen, je moet heel nederig beginnen. Want je kunt het alleen maar hebben van die momenten waar je jezelf niet dwingt. Waar je niet ergens op uit bent. Die momenten, daar moet je het van hebben. En ieder mens heeft die momenten, godzijdank. Want anders was het uitzichtloos. Dan kon je ook niet oefenen. En eigenlijk is dat bankje een vrij wrede instelling, want daar zit ook een heleboel dwang bij. Het is maar zelden dat je zo zit dat je het echt heerlijk vindt, dat je je adem ervaart en dat je de stilte ervaart in jezelf. Want dat is iets heel bijzonders. Dan is de hele wereld anders. Als het stil in je is, dan is de hele wereld anders. Die wereld is niet anders, maar jij bent anders.

Dus zoek die momenten waarin je iets doet wat je heerlijk vindt. Ongeremd, volstrekt heerlijk. En cultiveer dat. Zie dat het een middel is voor jou om te ontsnappen aan die eindeloze, grauwe reeks van gebeurtenissen die je leven zijn. Waar dan zo van die kleine momenten in zijn dat het heel eventjes … dat er een lichtspeling is. En daar zijn we dan al zo blij mee.
Maar dat het zo grauw is, komt omdat je niet in staat bent om dat te zien wat onder alles door aanwezig is. En dat betekent dat je het eerst bij jezelf moet kunnen ervaren, dat wat altijd aanwezig is, dat wat volmaakt is, waar niets meer aan hoeft te gebeuren.
Dat is ook door al die duizenden jaren door enkelingen gezegd. En er is nooit iemand geweest die het gelooft: je bent volmaakt, besef dat. Zo simpel is het. Je hoeft niet meer te worden. De schepping is er alleen maar om uitdrukking te geven aan dat volmaakte. En hoe beter die uitdrukking is, hoe meer de schepping zich vervolledigt.

En daar ben jij van. Jij bent daarvan. Dat is je eigenlijke opgave: eerst bewust worden wie je bent, en dan daarvan in de wereld uiting geven. Het begint aan het begin, het begint bij het opmerken dat je onoplettend bent, dat je slaapt. En het scheppen van de situatie waarin dat kan veranderen. En dan die lange weg dat je telkens merkt dat je in slaap valt. En dat je de moed hebt om dat te laten voor wat het is, niet driftig eraan te gaan werken, maar het gewoon alleen maar op te merken.

Dus wat ik van jullie eigenlijk vraag dat is: heb vertrouwen erin dat als je maar opmerkt dat er dan wat gebeurt. Alleen moet je natuurlijk niet de dwaasheid begaan met te denken dat als je dat dan opgemerkt hebt, het dan plotseling allemaal in orde is. Want zo is het natuurlijk niet. Die structuur waar je in zit en die jou tot zo’n gevaar maakt voor de wereld, die is zo taai, zo veelzijdig, dat je daar niet plotseling van los bent. Natuurlijk niet, het zou toch dwaas zijn om dat te veronderstellen. 

Het is een ambacht, meditatie is een ambacht. Maar niet in de zin van stoer zitten, maar van elk moment dat het kan je rekenschap geven hoe het met je is. Want jij bent het instrument. Jij bent de beheerser van het instrument. Dus jij moet het doen. Het kan niemand voor je doen. En jij bent degene die zich bewust bent van wat je bent. En dat is je grote kracht – als je het goed gebruikt, als je niet meer aan een norm gaat hangen, als je niet meer gaat vergelijken. Zodra je gaat vergelijken – pats, afgelopen. Zodra je er iets mee wilt – afgelopen.

[stilte]

Als jullie maar goed zien hoe onontkoombaar het is. Het is onontkoombaar. Je mag er dit leven alleen over doen of misschien nog honderd levens, maar eens zal het moeten gebeuren. En wil je dat vrijwillig of niet. Of moet het leven je ertoe dwingen. Maar het gekke is, het leven kan jou  hier eigenlijk niet toe dwingen. Het kan jou alleen in zijn grote barmhartigheid zo in de vernieling jagen, dat je er even bij stilstaat. Dat is een grote barmhartigheid.
Je kunt het nog altijd uitstellen, je kunt nog altijd in de gezelligheid blijven. Dat kan allemaal. Niemand die je er lelijk op aan zal kijken. Maar de vruchten zul je plukken. En dat is maar goed ook.

[stilte]

Mensen, het is iets heel moois. Het is zo lieflijk, dat er niets in de wereld is wat je daarmee vergelijken kunt. Het is zo allesomvattend, dat je niet begrijpen kunt dat het je soms deelachtig wordt. Dat je het gevoel hebt te breken, omdat het zo groot is.
En het is maar net hoe je zelf bent, door hoe jouw structuur is, welke kant je ervan het beste zult ervaren. Sommigen ervaren er de adembenemende schoonheid van, anderen de lieflijkheid, anderen de onverbiddelijkheid, anderen de barmhartigheid. Maar in al die bijvoeglijke naamwoorden is het niet begrepen. Het is alles. En hoe meer je telkens kleine glanzen ervan opmerkt, hoe meer je je verbaast dat je zo lang en zo onwetend hebt rondgedoold. En je vermaakt met kinderspeelgoed, waar je hele ernstige gezichten bij trok. Het gaat door alles heen. Het staat nergens bij stil. Het is onaanraakbaar. Het sterft niet. Het wordt ook nooit geboren. En jij bent dat.
Als jullie dat één keer konden beseffen, dan zou je je eigen weg vinden. Ik hoop met mijn hele hart dat jullie het vinden. Ik kan je er niet bij helpen.

Ik wou het daarbij laten.


naar boven

<< Terug | Einde