Twee richtingen in je leven

HANNA MOBACH, Elzenkatjes, 1982.
Porselein, pigmenten en veldspaat glazuur; roestvrijstalen plaat; 40×42
Inleiding
[download]

Terwijl ik iedere dag heel veel informatie binnenkrijg van dichtbij en ook van veraf, over alles wat er in de wereld gebeurt, luister ik ook naar een oud verhaal van mijn lichaam.
Als klein kind kon ik niet genoeg krijgen van het verhaal van mijn lichaam, dat veel ouder is dan dit leven waar ik nu in sta, wat heel ver teruggaat. Wat zo rijk, zo gecompliceerd en tegelijk zo subtiel is, dat daarbij vergeleken de informatie die ik dagelijks binnenkrijg oppervlakkig is.
De vraag die me gisteren gesteld werd over reïncarnatie, brengt me erop dit een beetje verder uit te diepen.

Ik herinner me toen ik vier jaar was – ik bevond me op een plantage aan de rand van het oerwoud op Midden Java, gespeend van alle medische hulp zoals wij die kennen – dat ik heel hoge koorts kreeg.

Mijn ouders waren wanhopig, vooral mijn moeder. Zij was een heel geleerde vrouw, maar daardoor ontbrak haar intuïtie en vertrouwen. Ze was echt heel wanhopig. Misschien heeft ze toch iets gevoeld van wat ik toen ervoer, namelijk dat ik eigenlijk wel dood wou. Ik weet heel helder dat ik dat wel wou.

Toen dat eenmaal heel duidelijk voor mij was – ik was dus vier jaar, maar je bent natuurlijk altijd veel ouder dan je biologische leeftijd – zakte ik door de herinnering heen van wat ik het ‘voorlopige leven’ noem: het leven van geboorte tot dood. En met dat dat gebeurde, kwam ik in de toestand terecht van waaruit ik ook hier vandaag ben, maar waarvan ik me nauwelijks bewust ben.

Het enige wat ik er van vertellen kan, is dat ik me toen bewust was dat ik een taak had in het geheel wat je niet kunt begrijpen. En dat ik dat graag wilde volbrengen en daarom dus toch terug zou gaan – want ik was een heel eind weg.

Ik ben toen teruggekomen en ik ben beter geworden, de koorts is geweken. Ik heb het gewone leven van een klein jongetje geleefd, wat met z’n Javaanse vriendjes en alle dieren die er waren, een heel vredig, maar ook wel een heel omvattend, leven had.

Mijn ouders waren arm, ze moesten de rubberplantage nog opzetten. In de tussentijd, voordat de rubberbomen de latex konden leveren, moesten we ook leven. Daarvoor werd er kopra gemaakt, dat wil zeggen, klapper werd in de zon gedroogd op hele grote rekken. Verder hadden we varkens, 400 stuks. En we hadden kippen, zo om en nabij 200 stuks. Die moesten verzorgd en gevoed worden. Ze zaten in een open omheining, zodat ze er ook uit konden, wat eigenlijk heel leuk was.

Ik was dus opgenomen in die natuurlijke wereld, waar ik een heel duidelijke functie had. Van daaruit ben ik geleidelijk aan ook hier gekomen en zit ik hier nu voor jullie.

Maar het is me nooit ontgaan dat het leven wat wij zo leven van geboorte tot dood, echt voorlopig is. Dat wij in wezen onderdeel zijn van een enorm verhaal, een verhaal in afleveringen. Elke keer als je de aarde verlaat – als je sterft, zeggen wij dan – wordt er een bladzijde omgeslagen, en die avonturen, belevenissen, herinneringen, verdriet, angst, vreugde, overwinning, nederlagen, verdwijnen. Dus dat wat wij ons ‘ik’ noemen, verdwijnt.

Daar ben ik ook altijd heel opgetogen over.
Ik weet wel dat ik verschrikkelijk schrok toen ik voor het eerst uit de boeken de kwestie van de weder-belichaming vernam. Ik was toen nog niet eens zou oud, maar ik schrok vreselijk, want ik dacht ‘Heremetijd, als dat allemaal bewaard blijft wat ik voor gekkigheid uithaal, dan ben ik een heel ongelukkig mens.’

Naderhand heb ik begrepen dat het niet zo is, je raakt het godzijdank helemaal kwijt.

Maar, wat ik gemakshalve noem: de ‘levensimpuls’ van de mens wordt zich bewust van een richting – dat is het meest duidelijke wat ik ervan zeggen kan – zodat je de volgende keer dat je komt, zonder dat je het beseft (want het is maar héél zelden dat een mens dat direct beseft), een bepaalde richting kiest in het leven wat dan aanwezig is. Want je kunt natuurlijk in het leven waar je in komt, wel degelijk een richting kiezen.

Het is een tweerichtingsverkeer: je kunt kiezen voor het steeds verder bekend raken met alles wat zich op dat moment in je leven voordoet, en je kunt kiezen voor het steeds verder bekend raken met je innerlijke geschiedenis. Want ieder mens heeft – buiten dat wat hij altijd in de wereld waarneemt, waar hij zich zorgen over maakt of waar hij blij over is – een innerlijke geschiedenis. Die innerlijke geschiedenis sluit aan bij wat hij eigenlijk is.

Dus wat er overblijft is dat je een bepaalde richting hebt. Maar je herinnert je godzijdank helemaal niet alle voorgaande avonturen.

Dat maakt dat het leven veel zinniger wordt. Het is dus niet meer iets van een schooltje en van een soort morele verantwoording, maar het gaat veel dieper. Het gaat erom dat je je innerlijke geschiedenis in contact brengt met je leven van vandaag. Dat zijn niet twee dingen naast elkaar, wat het voor de meesten van ons toch is.

Je beseft – daarom vertel ik het ook eigenlijk – dat die mogelijkheid er is, ieder van ons kan die innerlijke geschiedenis vernemen. Maar hij moet daarvoor wel iets doen, namelijk zich bewust zijn dat hij in twee richtingen verder moet gaan: hij moet verder gaan in de innerlijke geschiedenis die hij steeds kan leren kennen, en tevens moet hij thuis raken in het leven waar hij dan in staat.

Ik weet heel best dat dat niet zomaar pats-boem in je gebeuren kan. Maar het kan langzamerhand groeien, zoals het in mij gegroeid is doordat ik mensen ontmoet heb, die mij daarop attent gemaakt hebben. Onder andere een heilige in het krijgsgevangenenkamp, die me, eigenlijk zonder veel woorden, hiervan bewust gemaakt heeft.

Als je je hiervan bewust gaat worden, komt er een grote rust over je. Want je beseft dat het er niet om gaat iets te bereiken, maar dat het er om gaat alles wat je tegenkomt volledig tot je te nemen.

Dit is misschien een van de allermoeilijkste dingen voor ons allemaal: om niet gehinderd te worden door je voorlopige uitzicht, je voorlopige visie, je voorlopige gevoel in deze wereld. Wat beperkt is tot dat ene leven waar je in staat, waar je partners hebt, waar je bekenden hebt, waar je soms vijanden hebt. Maar te beseffen dat je een veel wijder wezen bent, een wezen wat in twee richtingen reist.

De ene reis, de reis naar binnen, is een tijdloze reis. Die voltrekt zich weliswaar in de tijd – want we zijn allemaal in de tijd, we staan er niet buiten – maar vanuit het tijdloze.

Terwijl er tevens dat andere leven is wat ons allemaal heel bekend is, het leven van het ‘ik’, wat helemaal in de tijd is en niet in het tijdloze. Terwijl natuurlijk de hele mens – die van de innerlijke én de uiterlijke reis – wel in het tijdloze staat.

Het gaat er niet alleen om hier thuis te raken, hier een functie te vervullen, maar het gaat erom ook in die andere richting een functie te vervullen. Het is dus een tweerichtingen reis die je maakt.

Ik heb tot mijn grote vreugde gemerkt dat er toch mensen zijn die dit óók gaan beseffen – niet omdat ik het zeg, want wat ik zeg is echt onbelangrijk. Maar als er iets in is wat waarheid is, wat wezenlijk is, dan kun je dat zelf verifiëren, dan kun je dat zelf registreren in je eigen leven. Dus als ik onzin vertel, dan zul je ook ontdekken dat het onzin is.

Maar als je dat leven probeert te leven, valt er een haast van je af. Het valt van je af dat je beslist het een of het ander moet bereiken. Je gaat begrijpen dat het eigenlijk alleen maar om één ding gaat: dat je alles wat jou bereikt – door de situatie, door mensen die je ontmoet, door mogelijkheden die je krijgt, door beperkingen die er zijn – volledig tot je laat komen.

Wij hebben daar normaal altijd een heleboel schotten voor staan. Dat zijn de schotten van onze oordelen, de oordelen van dit voorlopige, in de tijd gevangen leven.

We beleven ons leven door een nauwe kier heen, door de kier van ons uitzicht op het leven, het oordeel wat we hebben over alles wat we ontmoeten.

De meeste mensen zijn zich niet eens bewust dat ze een oordeel hebben, die beschouwen wat ze door die kier waarnemen als de wereld. Maar ze weten niet dat ze door een kier kijken.

Wat je duidelijk wordt is dat je stil moet zijn, dat die oordelen in je moeten wegzinken. Dat kun je ook niet eventjes doen. Het is iets wat zich voltrekt als je leeft naar dit besef, in het gewone dagelijkse leven waar we allemaal inzitten – wat voor velen van ons een ratrace is met de tijd. Er wordt zoveel van ons geëist, dat we geneigd zijn om als het er eventjes niet is, gewoon maar uit te rusten, niets te doen.

Maar alleen al het besef dat je door een kier kijkt is heel belangrijk, want dat maakt dat je het allemaal niet zo bloedserieus neemt wat er om je heen gebeurt. Je ziet dat het weer opgenomen is in zo’n oneindig groot verhaal, dat je er iets rustiger naar kunt kijken. In het besef ook dat je één van de vele afleveringen van jezelf bent.

Dan krijg je nog oog voor iets anders, waar zelfs in de wetenschap nauwelijks over gesproken wordt en wat zo evident belangrijk is: dat, om bewust te kunnen worden, ons organisme, ons instrument, in potentie de mogelijkheid moet hebben om bewust te worden.
De wetenschap – de hersenwetenschap incluis – onderzoekt momenteel hoe het bewustzijn werkt. Ze ontdekken dat er bepaalde soorten van leefwijzen zijn waaruit een bepaalde ontwikkeling gemakkelijker voortgang kan vinden. Maar ze vragen zich nooit af hoe het mogelijk is dat dat instrument zó is dat bewustwording daarin mogelijk is.

Dat is eigenlijk een veel groter raadsel en een veel groter wonder dan het feit dat het is zoals het is.

Als je dit beseft, word je je er ook bewust van dat wij in een ongelooflijk iets leven, dat wij zelf ongelooflijk complex, subtiel, verfijnd, omvattend zijn.

Als we dan kijken naar de wijze waarop we leven, zullen we vaak schrikken. Want dan zullen we merken dat we nauwelijks toekomen aan een van de voorwaarden die voor die totale reis nodig zijn. We zullen opmerken dat we eigenlijk maar aan een héél klein, armzalig stukje bezig zijn, ons daar druk over maken, terwijl we negentiende verwaarlozen – en dat is nog optimistisch gesteld. Het is zó groot dat we nauwelijks kunnen beseffen hoe groot het is.

Als je hier wel een klein beetje oog en oor voor hebt, ga je merken dat het héél erg nodig is dat we ons onze afstamming, ons erfdeel, gaan beseffen. Omdat we anders, zonder dat we het willen, elkaars vijanden zijn, elkaar naar het leven staan, heel grof of heel subtiel.

Vooral in het subtiele glijden we voortdurend uit.

Dus dat besef hoe we leven is bitter nodig. Want dan pas komen we toe aan waarvoor we op aarde zijn.

Ik vertelde jullie uit mijn leven, hoe ik op vierjarige leeftijd meemaakte hoe je wel degelijk op aarde wilt zijn. Maar dat je dat op het moment dat je geboren wordt vergeet. Want de hoeveelheid die je in dit leven nieuw tot je moet nemen is zó groot, dat je dat diepe, innerlijke verlangen om hier te zijn kwijt bent. Dat is gewoon zo, daar kunnen we niet omheen.

Maar ondanks het feit dat je geen idee meer hebt waarom je hier nu eigenlijk bent, kun je heel soms nog wel het gevoel hebben dat er iets anders is in je leven dan wat heel duidelijk voor je is, en dat dat andere eigenlijk de hoofdzaak is.

Ik vertel jullie dit allemaal, opdat je daar opmerkzaam op zult zijn en niet in je kleine gedoe blijft steken. Dat je gewoon opmerkzaam bent dat het misschien – je weet nooit wanneer dat is – er plotseling zal zijn, dat je plotseling zult weten ‘Oh, dat is mijn richting.’

Dat betekent dus: ik moet ook naar binnen toe, ik moet naar binnen toe luisteren, naar binnen toe kijken.

Dat is iets anders dan dat je uit teleurstelling in dit leven dan maar naar binnen toe gaat, vanuit een gevoel van ‘Ja, hier beneden is het niet.’

Dat is gewoon onzin. Want het is in alles, tot in het stofje wat in een zonnestraal omlaag daalt. Het is in alles.

Dus die tocht naar binnen is eigenlijk een tocht naar het binnen van alles, een tocht die alles wat je tegenkomt in een ander licht laat zien.

Wat heel opmerkelijk is, is dat je je eigen gebrekkigheid, je eigen nietigheid, steeds dieper gaat beseffen. Dat is geen nietigheid in de zin dat je onbelangrijk bent, maar dat je in verhouding tot dat wat gebeuren moet, tot wat zich voltrekken wil, heel, heel klein bent.

Dat gevoel dat je gebrekkig bent is heel nuttig, omdat het je gevoel van niet-weten vergroot.
Dat is het allereerste wat nodig is: dat je die houding hebt van ‘Ik weet het niet, ik zal wel ontdekken.’

Dat hoort bij elkaar, dat je het niet weet en dat je het wel zult ontdekken, het een is niet los van het ander. Maar je zult op geen moment zeggen ‘O, ik weet het!’

Want je weet vreselijk goed dat je iets weet wat de vraag naar wat je nog niet weet vergroot.

Dat is heel belangrijk, want waar we in vastzitten is dat we denken ‘Ik weet het, ik heb het gezien.’
Terwijl je natuurlijk altijd maar een héél klein stukje ziet, doordat je toevallig een moment niet eigenwijs bent geweest, een moment klein bent geweest, hebt kunnen luisteren.

Want je kunt alleen maar luisteren als je niet al denkt te weten wat er gezegd wordt.

Zo zitten wij toch eigenlijk in elkaar, dat we eigenlijk wel weten wat er gezegd gaat worden. Alleen, we gaan even luisteren of het wel klopt met wat we weten.

Maar zo is het niet, we weten het niet. Maar we kunnen het wel vernemen.

Dat betekent dat je op een totaal andere manier gaat leven. Je gaat merken dat het belangrijk is dat je rustig bent, dat je stil bent, dat je niet iets wilt bereiken; dat datgene wat je moet doen, duidelijk wordt als je er helemaal naar geluisterd hebt. Dan hoef je er ook niet meer over te denken. Er is ook geen keuze, het is duidelijk wat er gebeuren moet.

Kijk maar naar je eigen leven.
Ik hoef maar naar mijn eigen leven te kijken, en ik weet dat ik zo echt niet leef. Helemaal niet. Terwijl ik weet waar het om gaat.
Ik zeg dit met opzet, zodat jullie niet denken dat ik er echt iets van weet. Ik weet alleen een heel klein beetje van wat het niet is, en daar vertel ik jullie over. Namelijk dat je geleidelijk aan – en dat kun je niet máken – eerbied krijgt voor alles wat je tegenkomt, eerbied ook voor het leed, ook voor de dood, eerbied voor datgene wat lijdt.
Dat is nogal wat in de wereld, wat lijdt, wat niet tot voldragenheid kan komen, wat zich niet kan vervullen.

Je zult denken ‘Maar wat heeft degene die lijdt daaraan, als ik hem niet help?’

Dat is onze kortzichtige idee dat helpen alleen maar mogelijk is in het zichtbare.
Waar het eigenlijk om gaat is dat jij het lijden buiten je ook aanvaardt en op een bepaalde manier op je neemt. Dat je dus voelt wat er gebeurt met een ander die lijdt. Zodat je náást hem kunt zijn, ook al is hij misschien een paar honderd kilometer van je vandaan – want afstand is natuurlijk maar zeer betrekkelijk op dit gebied.
Maar dat je het tot je neemt, want je hoort erbij, altijd. Ook als je het niet opmerkt, ook als je het niet op je neemt, ook als je het lijden probeert buiten de deur te houden, hoor je erbij.

Dus het is van het grootste belang dat je je bewust wordt wat er plaatsheeft. En ook kunt genieten – dat is heel erg nodig: dat je kunt genieten van wat zomaar jou ten deel valt. Of méé gelukkig kunt zijn als iemand uit de benauwenis treedt en ontdekt dat hij tot het geheel behoort, op zijn of haar manier.

Je sluit dus niets buiten, helemaal niets.
Je gaat opmerken dat ons idee van kinderen zo betrekkelijk is. Het zijn volwassen wezens. Alleen de biologisch ontwikkeling van het vermogen om zich te uiten, is nog in gang. Maar ze zijn in wezen al totaal volwassen, ze zijn al van die eindeloze reis in de tijd, in een nieuwe aflevering, waar ze weer even thuis moeten raken in de wereld waar ze dan in zijn. Omdat ze zich nog niet kunnen uiten op de manier waarop wij ons kunnen uiten, zijn wij geneigd te denken dat ze kinderen zijn. Maar dat is niet waar, het zijn volledige mensen, die biologisch nog bij moeten komen.

Als je je daarvan bewust bent, wordt het al heel anders.

Eigenlijk ben je er om bewust te worden. En om dat proces van bewustwording te bevorderen, op alle manieren die jou mogelijk zijn.

Je merkt dagelijks hoe je daarin tekortschiet, hoe je toch dat voorlopige eigen leven voor laat gaan bij het grote innerlijke leven waar je van bent. En wat je eigenlijk bent – eigenlijk ben je dat grote innerlijke leven. Omdat je je bewust moet worden, ben je ook in dat beperkte tijdelijke leven hier.

Als je je daar een heel klein beetje bewust van wordt, wordt je leven al anders.

Je gaat ook anders met je vragen om, je begrijpt dat vragen niet beantwoord kunnen worden, dat vragen alleen maar gelééfd kunnen worden.

Ik ben me heel erg bewust dat ik de mensen die met me komen praten natuurlijk antwoord geef. Maar ik weet: het is niks. Wat ik hoogstens kan doen is een heel klein beetje rust scheppen, waardoor ze zélf die vraag kunnen leven.

Je vragen leven – dat is heel belangrijk, want dan ga je vanzelf naar binnen toe. Dat is nu eenmaal zo, dat is heel mooi.

Maar als je een vraag stelt aan iemand en een antwoord verwacht, ben je passief. Dat kun je ook niet krijgen. Je kunt het antwoord zelf vinden, doordat je je vraag leeft. Dat is een proces in jou. En wat van buiten kan komen, door een boek, door wat iemand vertelt, door muziek, door kunst, is dat je terugverwezen wordt naar jezelf en naar het leven van je vraag. Dat is wat gebeuren kan.

Maar zolang je denkt dat je een antwoord kan krijgen, staat het hele proces stil en gebeurt er niets meer.

Dat is net zoals bij de Feldenkrais oefeningen: als je helemaal denkt te weten wat helemaal ontspannen is, ja, dan kun je nog honderd jaar leven, maar dan lukt het niet. Je kunt alleen maar proberen te ontspannen. En op een bepaald moment merk je, terwijl je er niet aan denkt, dat je ontspannen bent.

Dat is precies hetzelfde. Het moet helemaal in jou gebeuren. Iemand van buiten kan ons alleen iets aangeven van ‘Doe dat eens’. En dan heb je, als degene die aanwijzing geeft, de grootste moeite als je merkt dat de mensen het direct verabsoluteren.

De taal maakt het ook moeilijk, als je zegt ‘Probeer nu eens helemaal te ontspannen’ – ja, wat is dat eigenlijk? Het is een je op weg begeven naar ontspanning. Meer kan er niet.

Dat is precies hetzelfde als met dat antwoord. Je moet het leven, je moet het doen, altijd maar doen. En dan moet je die eigenaardigheid van je ‘ik’ vergeten, dat altijd wil weten ‘Als ik dat doe, waar kom ik dan terecht, wat is dan het resultaat?’
Met die eigenaardigheid van het ‘ik’ lukt het gewoon niet, dat gaat niet.

Waaruit je weer niet de conclusie moet trekken dat het ‘ik’ zo vreselijk slecht is. Dat ‘ik’ is erg nodig. Alleen, het moet zijn plaats weten, het is een dienstknecht. Het denken-voelen staat in dienst van het werk wat je het geeft. En jij bent degene die het het werk geeft, niet het denken-voelen.
Bij ons is het zo dat, als we flink in ons ‘ik’ zitten, het denken-voelen aangeeft wat het werk is. Dat is natuurlijk van de gekke, zo gaat het niet. Daarom is de wereld ook zoals hij is.

We kunnen het dus niet bedenken, we kunnen het alleen leven. En dat is heel wat anders dan het bedenken.

naar boven

Gesprek (fragment)

– A.:  Ik heb een beetje moeite met het idee dat er bij reïncarnatie toch nog sprake zou zijn van een zekere individualiteit – iets wat ik bij jou ook meen te beluisteren. Voor mij is het beeld anders: de vonk is in die ene incarnatie totaal opgelost in het leven; en daarna ontstaan op andere plaatsen duizenden vonken. Ik voel daar geen greintje individualiteit in.

– Maarten:  Dat klopt ook. Maar wat gebeurt daar dan? Als het voor jou gemakkelijker is om te zeggen ‘Dan ontstaan er andere vonkjes’, prima. Maar die andere vonkjes hebben wel deel aan wat er met jou gebeurd is. En dat noem ik richting. Maar jij bent weg, dus de persoon A. is foetsie. Maar er is steeds een totale bewustwording. Alleen maar de essentie blijft, dus niet de avonturen

– A.:  Je zegt ook iedere keer ‘Je hebt tijd genoeg!’ En je zegt dat je een richting hebt. Daaruit concludeer ik dan weer dat er toch iets overblijft.

– Maarten:  Als je dan maar begrijpt dat dat ‘iets’ voor jou onbegrijpelijk is. Dus dat je gewoon tegen jezelf zegt ‘Oké, er is een richting, dat is al heel vaag, en die kom ik te weten als ik ernaar luister, dat wil zeggen, ik kom te weten in welke richting ik gaan moet.’
Maar meer weet je niet. Je kunt dat dus niet vatten. Je kunt het wel proberen te vatten, en dan komt er een of andere theorie of een of andere fantasie. Maar ik raad je aan je daar niet druk over te maken. Leef alleen maar.
De boeken, en de bibliotheken, staan vol van wat dat dan eventueel zou kunnen zijn. Maar ik geloof dat niet, mijn ervaring is anders.

– A.:  Het probleem is dat we er weer een concept van proberen te maken.

– Maarten: Ja, maar wacht eens even, het is aan de andere kant prima dat je dat probeert. Als je het maar goed probeert, echt helemaal goed, want dan besef je dat het niet kan. Als ik tegen je zeg dat het niet kan en je neemt dat aan, dan ben je ongelukkig. Dus ga maar door!

– B.:  Ik geloof dat ik er steeds over nadenk, omdat ik die afgescheidenheid zo ervaar en naar dat grote verband op zoek ben.

– Maarten:  Je bent het, je hoeft niet te zoeken! Je hoeft het alleen maar te ervaren. En dat betekent dus te leven. Maar je kunt het niet met je verstand zoeken.
Maar doe maar, probeer maar met je verstand. Maar echt, hoor, tot je erbij neervalt, echt! Want dan ben je er voor goed van af.
Weet je, het is precies hetzelfde als dat je iets aan iemand vraagt, en eigenlijk verwacht dat hij zal zeggen wat je al weet.

– C.:  Wat mij geraakt heeft, is dat je niet bij iemand hoeft te helpen maar ook op verre afstand nabij kunt zijn, dus in gedachten.

– Maarten: … met je hele wezen, met alles wat je ter beschikking hebt!

– C.:  En dat komt over?

– Maarten:  Laat ik maar ‘ja’ zeggen.

[gelach]

– C.:  Eigenlijk is dat wonderlijk.

– Maarten:  Ja, dat is het ook. Ik maak er nu een grapje van, maar natuurlijk is het heel mooi.
Ik heb meegemaakt in het gevangenkamp dat er iemand aan zijn polsen werd opgehangen aan een boom. Dat is iets heel vreselijks, dan wordt langzaam aan de voeten getrokken zodat de armen helemaal uit de kom gaan en dat is een afschuwelijke pijn. En wij moesten daarbij aanwezig zijn om ons indachtig te maken dat je dat kon overkomen als je wat fout deed.
Ik heb al verteld dat toen net die heilige een maand of twee in het kamp was. We stonden in rijen opgesteld, het was op het appel. Ik durfde er niet naar te kijken, zo vreselijk was het. En die man jammerde natuurlijk ook, soms schreeuwde hij.
Toen voelde ik een koelte van achter komen. En toen ik die koelte voelde, nam dat gejammer van die man af. Ik keek om, en besefte toen dat daar die heilige stond.
Het was al een hele oude man, hij was tweeënnegentig. En ik zag dat hij heel erg bezig was en ik dacht: laat ik ook maar bij hem gaan staan, dan hoeft hij zich niet zo op te houden. Dus ik ben naar hem toegegaan, wat natuurlijk helemaal niet mocht, maar goed, iedereen was bezig met wat daar gebeurde.
Toen zei hij tegen me: “Ja, steun me maar, dan is het gauw afgelopen.”
En inderdaad, die man had blijkbaar helemaal geen pijn meer. Dus hij nam hem de pijn af.
De Japanse officier die er was, snapte het ook niet. Maar het ging niet zoals het had moeten gebeuren, dus hij zei tegen een soldaat: “Snij hem maar los.”
Dat is toen gebeurd en hij is toen weggebracht. Een paar dagen later vroeg ik aan die heilige: “Wat heb je eigenlijk gedaan?”
Hij zei: “Ik heb me volledig vereend met het lijden van die man en daardoor werd het afgenomen.”
”En,” zei hij, “ik weet dat hij gestorven is.”
Die man werd naar een ander kamp gebracht, waar hij waarschijnlijk verzorgd zou worden. Dus ik was  helemaal verbaasd en vroeg: “Hoe kun je dat nu weten?”
Want de heilige was bij ons gebleven.
Hij zei: “Als je je maar voldoende verenigt met het lijden, dan is er geen afstand meer.”
Hij wist dus dat die man gestorven was, het was gelukkig gebeurd.
Waarmee ik wil aangeven dat het er dus om gaat om je te verenigen. En dat is niet alleen met lijden natuurlijk, dat is ook met vreugde. Dat is voor ons meestal gemakkelijk, dat vinden we wel fijn. Maar het lijden is iets wat we niet willen.
Dat is dus een voorbeeld uit de praktijk.

– B.:  Je hebt het ook als moeder met een kind wat heel erg ziek is. Daar blijf je dan bij en je zit bij het bed, en dan lijkt het dat je kracht kunt uitzenden.

– Maarten:  Ja. En het betekent – dat zeg ik ook tegen A. – dat het vermogen om je te verbinden groter kan worden in je leven als je het toelaat, als je het niet buiten je houdt. Wij houden een heleboel buiten ons, natuurlijk. Want we kunnen het niet, we hebben het gevoel vernietigd te worden door heel veel leed. Dat is ons onvermogen.
Het enige waardoor het groter kan worden, is dat je telkens maar probeert het toe te laten. En niet ontevreden bent – dat zeg ik er maar bij – over de mate waarin jou dat lukt. Want je zult altijd beseffen dat het tekort is, dat is gewoon zo. Maar dan besef je dat het proces zo is, dat het verwijden op gang komt doordat je het steeds maar probeert.
Bij het kind kon je constateren dat daar iets gebeurde. Maar dat kun je heel vaak niet. Daar in het kamp stond ik erbij en ik keek ernaar. Maar ik moest van die heilige vernemen wat er gebeurd was, ik had het zelf niet gevoeld wat er nu eigenlijk gebeurde.

– D.:  Als je zoiets vertelt zoals nu, wordt ik daar ook een beetje bang van.

– Maarten:  Dat is prima, want dat betekent dat je beseft wat er aan de hand is.

– D.:  Het meegaan erin…

– Maarten:  Ja precies. Die afweer die je voelt is heel natuurlijk. Want zo zijn we gebouwd. En zo is ons ‘ik’ gebouwd in de loop van de evolutie. We zijn afgesneden, een zelfstandigheid die zichzelf buiten het geheel voelt – hij is niet buiten het geheel, maar hij voelt zich buiten het geheel. Dit betekent een confrontatie met die afgeslotenheid in jezelf. En daar schrik je van, dat is voor het ‘ik’ een afschuwelijk iets.

– E.:  Er kan dus ruimte in jou zelf zijn voor het lijden van de ander. Dat roept bij mij de vraag op naar het lijden in jezelf, dáár ruimte aan geven.

– Maarten:  Dat is een sprong die je geleerd hebt. Het lijden van de ander is het lijden van de ander. Alleen, jij voelt dat. Maar dat roept niet jouw eigen lijden op.

– E.:  Het is erg moeilijk om dat lijden van die ander toe te laten, als ik mijn eigen lijden nog niet heb toegelaten.

– Maarten:  Op het moment dat jij het lijden van de ander voelt, speelt jouw eigen lijden geen rol. Alleen, het is wel zo – maar nu hebben we het over wat anders – dat jij het lijden van de ander pas voelen kunt als je je eigen lijden ervaren hebt, en niet als iets wat je aangedaan is.
Dat is het punt waar het om draait: het is een noodzaak, het is niet iets wat jou aangedaan is. En uit de acceptatie van wat in jou gebeurt, groeit je vermogen om je open te stellen voor wat niet van jou is.

– E.:  Dat is precies wat ik bedoel.

– Maarten:  Ja. Maar ik wil alleen maar heel duidelijk zeggen dat het niet zo is dat op het moment dat jij het lijden van de ander ervaart, je eigen lijden komt.


naar boven